6 maart 2016

Hersenen en gedrag

De mogelijkheden en de plaats van een dier op de evolutieladder, wordt in de eerste plaats bepaald door de hersenen:

  • het bevelvoerend centrum van alle functies
  • de zetel van de instincten
  • het geheugen
  • de intelligentie
  • het hart van het gehele zenuwcentrum
hersenen

De hersenen van de kat bestaan, evenals die van andere zoogdieren, uit een aantal verdikkingen aan de bovenkant van een gesloten buis die van de kop naar de staart loopt: het ruggenmergkanaal (1). Het gewicht van de hersenen zelf is 20 tot 30 gram. De hersenen zijn hol, hebben met vloeistof gevulde holtes – de ventrikels (2) – en zijn ter bescherming omgeven door een aantal vloeistofgedempte schokabsorberende vliezen en de schedel. Het belangrijkste deel van de hersenen is het cerebrum of de grote hersenen, dat bestaat uit twee hersenhelften (3). Deze – in het bijzonder de sterk gegroefde hersenschors – beheersen alle aspecten van het bewuste gedrag. Andere delen dienen als centrum voor het gezichtsvermogen (a), het gehoor (b) en de tastzin (c) en voor de beheersing van de lichaamsbewegingen (d). Het reukcentrum (e) is relatief groot bij de kat. In het algemeen heeft de linkerhelft van de hersenen betrekking op de rechterhelft van het lichaam van de kat en omgekeerd. Ook herinneringen worden opgeslagen in deze hersenhelften. Achter de hersenhelften ligt het cerebellum of kleine hersenen (4), dat zorgt voor de coördinatie van het evenwicht en de beweging; het cerebellum is bij de kat buitengewoon groot en goed ontwikkeld. Het binnenste van de hersenen wordt gevormd door de hersenstam (5), die een voortzetting is van het ruggenmerg. De belangrijkste delen zijn onder meer de formatio reticularis (f), die tot taak heeft de hersenen wakker en waakzaam te houden (wordt uitgeschakeld tijdens de slaap) en de hypothalamus (g), die elementaire functies als honger, angst, agressie, seksuele en moedergevoelens beheerst. Hier dichtbij, in verbinding met en onder controle van deze hypothalamus, bevindt zich de pijnappelklier (6), de “oppperklier” van het hormoonstelsel. Door afscheiding van hormonen van deze klier te regelen, beheerst de hypothalamus vele facetten van het gedrag van de kat.

De hersenen ontvangen informatie over de omgeving via de zenuwen, bepalen welke handelingen er moeten worden verricht en besturen vervolgens die handelingen.
Een maat voor de evolutionaire ontwikkeling en het gedrag van een soort, is de verhouding tussen het gewicht van de hersenen en het gewicht van het dier. Bij de kat is het hersengewicht groter dan bij alle andere zoogdieren, uitgezonderd de apen en de mens. Nog belangrijker dan het gewicht is, dat de kat de grote en diepgegroefde hersenhelften heeft die kenmerkend zijn voor andere relatief intelligente wezens.

De ontwikkeling van de hersenen
De fysieke ontwikkeling van de hersenen verloopt het snelst in de eerste dagen van het kattenleven en is ongeveer voltooid op een leeftijd van 5 maanden. Door slechte voeding kan de ontwikkeling van het volwassen gedrag worden vertraagd en kan zelfs leiden tot permanent hersenletsel.
De normale ontwikkeling van de kat hangt ook af van de zintuiglijke stimulansen die een kitten ontvangt. Dit is ook een doel van de ferme wasbeurten die de moederpoes haar kittens gewoonlijk geeft. Deze taak kan echter ook worden overgenomen door de eigenaar, door het kitten elke dag een poosje in de handen te nemen en er aandacht aan te besteden.
Naast deze algemene stimulering is het nodig dat de hersencentra die zijn verbonden met de verschillende zintuigen, vanaf jonge leeftijd worden “getraind”, zodat ze later normaal kunnen functioneren bij een volwassen kat.

Een superkat is dus:

  • geboren uit een zorgzame moeder
  • goed gevoed in zijn jeugd
  • grootgebracht bij mensen die regelmatig met hem hebben gespeeld

Hierdoor is er gezorgd voor een interessante en gevarieerde omgeving.

Instincten en leerprocessen
Een groot deel van het gedragspatroon dat jonge en volwassen katten laten zien, lijkt te zijn aangeboren en ontwikkeld zich schijnbaar zonder oefening en leerproces. Aangeboren gedrag loopt van de eenvoudige reflexen van het zogen en bewegen, tot de meer gecompliceerde en meer geïntegreerde handelingen van het moederschap en het sexuele leven. De zoogreflex is een goed voorbeeld van de waarde van zulk aangeboren gedrag: een kitten moet kort na de geboorte melk bij de moeder drinken, want anders sterft het. Daarnaast zijn er nog vele andere aangeboren vaardigheden die de kat nodig heeft om te kunnen overleven, zoals het zich in de lucht omdraaien na een val en het geven van de juiste sexuele reacties op het juiste moment.
Elk gedrag dat kenmerkend is voor katten als soort, moet zijn aangeboren in de zin dat het vermogen om dit gedrag ten toon te spreiden is geërfd. Er zit echter meer vast aan typisch kattengedrag dan een aantal vaststaande reflexhandelingen die worden ingegeven door het instinct. Katten hebben een sterke persoonlijkheid en kunnen zich verder goed aanpassen aan veranderende omstandigheden, doordat ze kunnen leren en onthouden en doordat ze hun verworven vaardigheden en kennis in nieuwe situaties kunnen gebruiken.
Het is moeilijk een goed onderscheid te maken tussen instinct en aangeleerd gedrag, omdat katten door observeren en leren hun gedrag voortdurend aanvullen, aanpassen en veranderen. Een uitstekend voorbeeld van aangellerd gedrag is het jagen. De meeste katten verblijven de weken van hun eerste leertijd onder de niet-aflatende zorg van hun moeder. Als het moederdier een jager is, zal ze haar kittens leren hoe ze hun repertoire van kromme sprongen en wilde capriolen kunnen ontwikkelen tot een goed gecoördineerde en efficiënte manier om te doden. De kittens van een moeder die niet jaagt, zullen niet leren doden, hoe goed ze ook kunnen besluipen of bespringen. Op dezelfde manier is het zindelijk worden een samengaan van reflexen en leren. De drang om de uitwerpselen te begraven, is instinctief aanwezig; het beschermt kleine dieren tegen roofdieren die hun spoor kunnen volgen. Het resultaat is, dat het allerkleinste jonge poesje krabbelt in de korrels in de bak, maar vaak moet het kitten echt de bak zien gebruiken voordat het verband wordt begrepen.
Voornamelijk omdat ze nauwelijks reageren op eenvoudige uitgesproken bevelen als “zitten”, “volg” enz. worden katten vaak voor minder intelligent versleten dan honden. Toch zijn ze over het algemeen beter in staat voor zichzelf te zorgen in het wild en reageren ze heel goed op training wanneer hun natuurlijke gewoonten en reacties in hun waarde worden gelaten en ze op het juiste moment een beloning krijgen in de vorm van een lekker hapje of een streling. Katten kunnen bijvoorbeeld heel goed leren dingen te apporteren, deuren en kattenluikjes te openen en kunstjes te doen, zoals “mooi zitten” voor een hapje of “een pootje geven”. Het geheim zit hem in het geven van de juiste beloningen; lichamelijk straffen is totaal zinloos bij katten, omdat ze meestal zullen reageren om weg te komen uit deze situatie en dus bang worden.
Training van de kat

Lichaamstaal
Elk kattengevecht wordt voorafgegaan door een minutenlang voorspel, dat de tegenstanders gebruiken om elkaar met hun wapens te imponeren. Bij het blazen tonen ze hun hoektanden, door de opstaande vacht lijken ze groter. Met wijd geopende ogen, een en al pupil, staren ze elkaar aan. Pas als ze geen van tweeën toegeven, komt het tot een gevecht waarbei ze allebei doelbewust hun klauwen en tanden gebruiken.

Het platleggen van de oren is zelfbescherming, net als de dichtgeknepen ogen. Dat zijn de meest kwetsbare plekjes bij de kat.

Kopjes geven katten aan alle mensen, dieren en voorwerpen die ze in bezit willen nemen. Via geurklieren aan hun kin, wangen en voorhoofd geven ze het toekomstige eigendom hun eigen geurmerk. Dit is een signaal voor anderen: “Dat of die is van mij!”. Helaas is onze reuk niet voldoende ontwikkeld om dit te kunnen ruiken. Daar komen heel wat misverstanden uit voort.
Katers markeren vooral hun territorium door met de kop tegen de grenzen van hun gebied te wrijven.

Na elk dutje brengt een kat zijn lichaam weer in topvorm. Daarvoor maakt hij eerst een hoge rug met een S-vormige staart en gaat op zijn tenen staan. Daarna rekt hij zijn voorpoten uit zover als hij kan en strekt de staart schuin naar boven voordat hij ook de spieren van de achterpoten een voor een uitrekt. Veel katten schudden zichzelf daarna nog eens krachtig om de bloedcirculatie op gang te brengen. Dan pas zijn ze echt wakker en gaan ze weer op avontuur.
Een hoge rug betekent dus niet altijd dat de kat kwaad is.

Zodra een kat met iets onbekends wordt geconfronteerd, brengt hij zijn lichaam in alarmtoestand. Alle zintuigen zijn tot het uiterste gespannen. De oren draaien in de richting van het raadsel, de pupillen verwijden zich, de snorharen worden horizontaal gedraaid en alle spieren en pezen zijn gespannen. Bijna altijd is het bekje een klein beetje open, zodat ook de allerfijnste geursporen waargenomen kunnen worden.
Zo’n kat staat volledig “onder stroom”. Laat hem op die momenten met rust, want als hij explodeert, gebruikt hij alle wapens.
Kattentaal”