Kat een aaibaar raadsel

Prettig, zo’n snorrende poes op schoot – maar begrijpen we de kat wel? Diergedragskundige John Bradshaw denkt van niet, en wil dat veranderen. ‘Katten geven zich maar weinig bloot.’

Maarten Keulemans
De Volkskrant 5 oktober 2013

Wetenschap is soms wonderlijk eenvoudig. Neem die keer dat John Bradshaw, diergedragskundige aan de Universiteit van Bristol, wilde weten of het echt zo is dat katten altijd het liefst op schoot springen bij degene die katten háát.
Wat doe je dan? Gewoon: je zet kattenhaters in een kamer, schuift een kat om de hoek en wacht af wat er gebeurt. ‘Zo ontdekten we dat dit verhaal vooral tussen de mensenoren zit’, vertelt Bradshaw. ‘De meeste katten snappen prima dat zo iemand niet van katten houdt en komen niet dichterbij. Maar er was bij ons experiment ook één kat die het tegenovergestelde deed: hij kwam meteen op de kattenhaters af, sprong op schoot en begon luid te spinnen. Het lijkt erop dat zo’n kat zich vergist, de lichaamstaal verkeerd interpreteert. Alleen zijn die uitzonderingen wél wat een angstig persoon zich herinnert.’

Zo is er meer, betoogt Bradshaw in zijn nieuwe boek: Het geheim van de kat. Want in kattenminnende landen als Nederland of Engeland mag er dan bij een op de drie huishoudens een kat rondlopen, dat wil nog niet zeggen dat we begrijpen wat er tussen die puntoortjes zoal omgaat.

Eigenwijs, mysterieus, ondoorgrondelijk. Dat is het beeld dat veel mensen van katten hebben.
‘Katten geven zich minder bloot. Hun gezicht is niet erg expressief, anders dan bij een hond. Als afstammelingen van solitair levende wilde katten zijn ze evolutionair niet aangepast om veel signalen aan de buitenwereld te geven. Maar hun geheim is dat ze wel degelijk een rijk en gecompliceerd emotioneel leven hebben. Er zit vaak verschil tussen wat wij denken dat katten voelen, en wat ze echt voelen.’

Noemt u eens een voorbeeld?
‘Bij een onderzoek maten we de hoeveelheid stresshormoon in de urine van asielkatten. Katten die net in het asiel komen, zijn allemaal gestrest. Maar bij sommige katten gaat het stressniveau al snel naar beneden. Dat zijn over het algemeen katten die sneller naar mensen gaan, maar ook katten die zich agressief en onvriendelijk opstellen. Terwijl er ook katten zijn die heel passief zijn, eruitzien alsof ze de situatie accepteren. Totdat je naar hun urinemonsters kijkt: ze zijn juist gestrest. Die op het oog rustige katten sluiten zich af, proberen te negeren wat er gebeurt.’

Nog zo’n lassieker: katten hebben weinig op met mensen, het gaat ze alleen maar om eten en slapen.
‘Voedsel is belangrijk. Katten zijn territoriale dieren, dus ook hun fysieke omgeving is belangrijk. Er moeten veilige plekken zijn, waar de kat ongestoord kan rusten. Maar daarna, in die context, zal hij zich wel degelijk richten op andere katten of op mensen. Het is een kwestie van prioriteiten. Voor een hond hebben mensen hogere prioriteit, een kat hecht meer aan zijn vertrouwde omgeving dan aan jou. Vandaar dat je met een hond wel aan een leiband kunt lopen, en met een kat niet.’

Maar ze hechten zich dus wel degelijk aan ons?
‘Ze leren over ons zo gauw ze voor het eerst hun ogen opendoen. En ze kunnen wel degelijk affectieve relaties aangaan met individuele mensen. Dat doen ze dan ook: ze kunnen totaal verschillend reageren op verschillende leden van een huishouden.’

Wat zijn wij eigenlijk, in de ogen van een kat? Hun kittens?
‘Dat wordt inderdaad wel beweerd, omdat katten hun prooi naar ons toe brengen, net zoals ze bij hun kittens doen. Maar ik denk dat daarvoor een simpeler verklaring is. Als katten een muis vangen, zullen ze hem meenemen naar de veiligste plek die ze kennen – hun huis. Eenmaal daar aangekomen staat de kat voor de keuze: muizenvlees, of het veel smakelijker kattenvoer. De kat kiest dan voor het voer. Helaas voor de muis wel een beetje laat.’

We zijn dus geen kittens. Waar ziet een kat ons dan wel voor aan?
‘Een belangrijke aanwijzing is hoe katten mensen die ze graag mogen, begroeten. Ze zetten hun staart rechtop, gaan tegen je aan wrijven, likken misschien je handen. Dat zijn allemaal gedragingen die ze in de poezensamenleving vertonen tegenover soortgenoten, en dan vooral tegenover de oudere, ervaren katten met meer status. Mijn gok is daarom dat ze denken dat wij andere katten zijn. Niet hun ouders of hun kittens, maar andere katten, die de controle hebben over bronnen zoals voedsel.’

Zijn katten geëvolueerd tot socialere dieren?
‘Ik denk van wel. Mijn gok is dat de belangrijkste aanpassingen al plaatsvonden vóórdat ze in Egypte de status van huisdier kregen. De Egyptenaren hielden katten namelijk al in tamelijk hoge dichtheden, en dat lukt je niet met wilde katten. Die zouden voortdurend vechten.

‘Ik denk dat de domesticatie vooral werd aangedreven door de katten zelf. Zo’n tienduizend jaar geleden, toen de mens voor het eerst ging landbouwen, kwamen de katten op ons af, aangetrokken door de muizen die op ons graan afkwamen. In het begin zullen die katten veel hebben gevochten: dit zijn míjn muizen. Maar omdat er genoeg voedsel was, zullen katten die allianties aangingen in het voordeel zijn geweest. Er was dus evolutionaire druk richting meer coöperatieve katten. De kattenmaatschappij kan weleens een gevolg zijn van het feit dat ze bij ons zijn gaan leven.’

Maar hun evolutie is nog niet af, schrijft u ook. Terwijl honden heel wat anders zijn dan de wolven waarvan ze afstammen, zijn katten in feite geen huisdier: ze hebben een territorium, paren vaak buiten onze controle en jagen op klein wild, tot grote zorg van natuurbeschermers. En erger nog: u maakt zich zorgen dat we onbedoeld bezig zijn steeds wildere katten te kweken.
‘We hebben één ding veranderd aan de evolutie, en dat is de manier waarop we hun aantallen inperken. Katten brengen meer nakomelingen voort dan nodig. Vroeger werden die kittens verdronken, hoe akelig dat ook klinkt. Tegenwoordig is de trend om ze te steriliseren en te castreren. Daardoor krijgen juist de vriendelijkste, meest meegaande katten geen nageslacht meer. En zijn de genen van de wildere straatkatten, die niet zo sociaal zijn, in het voordeel. Ik denk dat dit op termijn onze aandacht behoeft.’

We kweken rotkatten in plaats van schootkatten…
‘We duwen langzaam in die richting, ja. Wat je wilt, is een kat die vriendelijk is, aangepast aan mensen. Eentje die minder de behoefte heeft om te jagen, waardoor vogels, muizen en andere prooidieren gespaard blijven.’

De goeiige huispoes kunnen we dus maar beter niet steriliseren?
‘Uiteindelijk moeten we misschien zoiets doen. Recent onderzoek lijkt aan te geven dat er maar een beperkt aantal genen is – tien tot twaalf – waarin katten zich onderscheiden van hun wilde voorouders. Dus wellicht is het mogelijk om katten te kweken met een volledige set ‘huisgenen’.

‘Maar op de korte termijn is er vooral veel dat mensen kunnen doen. Mensen denken vaak dat je katten niet hoeft te trainen. Dat is in sommige opzichten waar, maar toch is er nog een hoop ruimte voor training. Je kunt katten met eenvoudige trucs aanleren met andere katten om te gaan, of minder mensenschuw te zijn. En ik denk dat je zelfs hun drang om te jagen wat kunt intomen, door ze speeltjes te geven en ze bijvoorbeeld niet ‘s nachts, maar overdag buiten te laten. Het zal de band tussen kat en baasje verstevigen, dus iedereen wint erbij.’

Want anders krijgen we herrie?
‘Mogelijk wel, ja. Onze relatie met katten is altijd complex geweest. Katten zijn op dit moment erg populair, maar nog maar een paar eeuwen geleden werden ze in sommige landen gezien als duivels en zelfs vervolgd. Dat zie je door de geschiedenis heen: hun populariteit komt en gaat. In Nieuw-Zeeland is bijvoorbeeld momenteel een heftig conflict gaande tussen mensen die alle katten willen uitroeien omdat ze zoveel schade toebrengen aan de natuur, en de mensen die ze als huisdier houden. Af en toe laait de strijd tussen voor- en tegenstanders stevig op, en soms gebeurt het dat de mensen die een hekel hebben aan katten de overhand krijgen.’

ALLEMAAL AFRIKAANS
Een van de grootste verrassingen van het recente kattenonderzoek is dat álle katten – van pers en siamees tot huiskat – afstammen van één wilde soort, de Afrikaanse wilde kat (Felis silvestris lybica). Dat is opmerkelijk, omdat vaststaat dat men in onder meer China en Zuid-Amerika ook andere wilde katten heeft geprobeerd te domesticeren. Tevergeefs, zo blijkt uit het katten-dna.

‘TOT OVER EEN PAAR JAAR’
Zo eindigde het vorige gesprek tussen de Volkskrant en huisdierdeskundige John Bradshaw, die toen net een boek over honden had geschreven. De kat ontbrak nog, besefte ook Bradshaw. ‘Ik heb wel boeken over katten geschreven voor wetenschappers, maar die zijn erg technisch. Bij katten is het punt dat het onderzoek de kattenbezitter nog niet echt heeft bereikt.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *